TAO uitgelegd door
Pooh – met dank aan Benjamin Hoff
“(..) Het bos zal er altijd zijn, en iedereen die goede maatjes is met Beren, kan het vinden.”
Wat vooral bleef hangen waren de
levensprincipes van TAO. Die liggen in de lijn van:
-
laat de dingen op je af komen en
probeer de zaken niet te forceren;
- handel in harmonie met je innerlijke natuur en met de grote natuurwetten.
Heel vanzelfsprekende dingen. Zo vanzelfsprekend dat het nauwelijks uit te leggen leek als ik er anderen enthousiast in wilde inwijden. Ik zat daar toch wel een beetje mee in mijn maag. TAO, hoe vertel je dat? En meer nog, zo moest ik toegeven, begreep ik er zelf eigenlijk wel wat van? Alleen een intensieve literatuurstudie kon hier uitkomst bieden. Welgemoed toog ik naar Scheltema.
Boeken, boeken en boeken over TAO. Ik ben welgemoed begonnen: ‘Teachings of the TAO’, ‘The TAO of Jung´, om er maar een paar te noemen, de ‘Hua Hu Ching’ en de ‘TAO Te Ching’ van Lao Tse. Enzovoorts.
Om een lang verhaal kort te maken: ik kwam er niet uit. TAO viel niet uit te leggen. Harmonie, niet-vechten, rust, geluk. Het is gewoon te simpel, te eenvoudig, te vanzelfsprekend. Je kunt er over lezen, het aardig vinden wat er staat, maar wat dan verder? Moet je het snappen, of er op een andere manier verbinding mee krijgen? Lezen en kennis opdoen kan niet zonder eigen ervaring waarin je die kennis een plaats kunt geven. Ervaren, dat was het dus. Maar hoe doe je dat? Je moet toch ergens van uitgaan, iets moet je er toch toe aanzetten om naar een ervaring op zoek te gaan, om een start te maken, te beginnen?
“Een paar van ons discussieerden over de Grote Meesters der Wijsheid, toen iemand zei dat die allemaal uit het Oosten kwamen, en ik wierp tegen dat sommigen daar niet vandaan kwamen, maar hij ging maar door en door, net zoals deze zin, en hoorde helemaal niet wat ik zei, toen ik besloot om een citaat te geven van Wijsheid uit het Westen, om aan te tonen dat de wereld uit meer dan één helft bestond, en ik las voor:
“Als je
‘s morgens wakker wordt, Pooh”, zei Piglet op het laatst, ”wat denk je dan
als eerste bij jezelf?”
“Wat krijg ik op
mijn boterham?” zei Pooh. “En jij, Piglet, wat denk jij bij jezelf?
“Ik zeg tegen
mezelf, ik ben benieuwd wat er vandaag allemaal voor spannends gaat gebeuren”,
zei Piglet.
Pooh knikte
bedachtzaam.
“Precies
hetzelfde,” antwoordde hij.
“Wat is dat?” zei de hardnekkige
gast van zoëven.
“Wijsheid van
een Westerse Taoďst, antwoordde ik.
“Het klinkt als
iets uit Winnie-the-Pooh” zei hij.
“Dat klopt, zei
ik”
“Maar dat gaat
niet over het Taoďsme”, zei hij.
“O, jawel”,
zei ik weer.
“Niet waar”,
zei hij.
“Waar denk jij
dan dat het over gaat?”, vroeg ik hem.
“Het gaat over
dat koddige beertje dat zo’n beetje rondloopt, gekke vragen stelt, liedjes
verzint, en allerlei avonturen beleeft, zonder ooit maar een beetje degelijke
kennis op te doen of ook maar iets van zijn nogal argeloze vrolijkheid te
verliezen”, zei hij. “Daar gaat het over”.
“Precies
hetzelfde”, antwoordde ik.”
(Benjamin
Hoff, The Tao of Pooh)
Nu Pooh als wijsgeer is geďntroduceerd wil ik aan zijn hand en die van zijn leerling Hoff enkele belangrijke elementen van Tao behandelen.
-Wilt u het vervolg van de tekst lezen, download dan de Word-versie van Pooh op onderstaande link: